Economie

 

Economie

 

 

Landbouw
De landbouwsector is in Suriname  altijd van belang geweest. Dit alles heeft te maken met het feit dat Suriname een voormalige plantagekolonie is geweest. (Tijdens de bloei van de plan-tagelandbouw dreef het land economisch op de export van tropische producten zoals suiker, koffie, cacao, katoen).
Ca. 14% van de werkende bevolking is werkzaam in de landbouw, visserij en bosbouw, die ca. 14% aan het Bruto Nationaal Product (BNP) bijdragen. Het in cultuur gebrachte areaal is beperkt tot een kleine strook in de kustvlakte. Een aanzienlijk deel daarvan wordt in beslag genomen door grootlandbouwbedrijven, zoals het rijstbedrijf Wageningen. De productie van palmolie heeft vanaf 1975 een veelbelovende groei te zien gegeven.
Ondanks het feit dat de landbouwsector diverse problemen kent, ziet de Surinaamse overheid de agrarische sector als één van de groeisectoren. In 2003 droeg de agrarische sector voor bijna 9,2% bij aan het Bruto Nationaal Product.

Rijst
Nickerie is van oudsher het rijstdistrict van Suriname. Echter, ook hier is een teruglopende productie te zien. Van de 50.000 hectare rijstvelden is nog 80% ingezaaid. De rijstboeren hebben in de jaren negentig hun inkomsten fors zien teruglopen en hebben op dit moment nog nauwelijks middelen om te produceren. Ook de gebrekkige infrastructuur waardoor geregeld tekorten zijn aan water, is mede verantwoordelijk voor een terugloop van de rijstproductie.
In 2000 is met financiële steun van de Europese Unie een onderzoekscentrum in gebruik genomen dat nieuwe meer resistente rassen moet ontwikkelen maar ook een hogere productie moet opleveren.

Banen en citrusvruchten
Ondanks de hoge werkloosheid in Suriname (14% in 2000) hebben de telers van sinaasappels, bananen, mango’s en andere vruchten moeite om aan arbeidskrachten te komen.
De productie blijft grotendeels beperkt tot de lokale markt.
Anders ligt / lag dat voor de bananen waarvan de export tot 2002 flink groeide. Mede door slecht management en lage prijzen werd de enige bananenexporteur Surland echter gesloten. Suriname dreigt wel inkomsten mis te lopen als de voordelige handelsafspraken met de Europese Unie in 2006 komen te vervallen.

Viskweek
Er werken ongeveer 8000 Surinamers in de visserijsector. De garnalenkweeek kampt met een groter aanbod op de wereldmarkt en dat betekent dus lagere inkomsten. Ook de vraag naar de kleinere garnaal daalt tegelijkertijd. De industriële visserij is grotendeels in buitenlandse handen en op export gericht. De Surinaamse overheid heeft niet alleen te weinig controle op de visserijsector, maar heeft ook te veel visvergunningen afgegeven.

Voedselimport
De voedingsmiddelenindustrie, die voor de lokale markt produceert, kreeg in de jaren tachtig zware klappen te verwerken als gevolg van het slechte economische beleid onder de ‘militaire regeringen’. De dagelijkse markt aan de Waterkant in Paramaribo voorziet in cassave, groenten, rijst, fruit en vis.
Voor blikken, zakjes, pakjes en flessen verwerkt voedsel is Suriname vrijwel geheel op import aangewezen. Positieve uitzonderingen hierop zijn onder meer het ijs en de frisdrank van Hernandes en het Parbo bier dat in Suriname wordt gebrouwen.

Industrie en diensten
Bauxiet, olie, goud en hout, Suriname heeft het allemaal. De bauxietverwerking is de enige industrie van betekenis. Er zijn enkele voedselverwerkende, kleding- en schoenenbedrijven gericht op de binnenlandse markt.
De economische vooruitzichten hoeven echter niet somber te zijn. Feit is wel dat de Surinaamse economie er sinds de onafhankelijkheid in 1975 vooral op achteruit is gegaan. Een eenzijdige economie, maar ook politieke onrust, militaire staatsgrepen en falend overheidsbeleid zijn daarvoor verantwoordelijk geweest.

Ondernemerscultuur
De Surinaamse economie leunt sterk op de mijnbouwsector. Daarbij gaat het vooral om bauxiet, olie en goud. Bauxiet bepaalt al decennialang tweederde van de exportinkomsten. Maar hoewel de prijzen voor grondstoffen de afgelopen jaren een stijgende lijn vertonen, maakt de eenzijdige structuur de Surinaamse economie ook erg kwetsbaar.

Veel bedrijven zijn bovendien staatsbedrijven waarin de overheid 25 jaar lang geld heeft gepompt. De lokale bedrijven zijn door de jaren heen vooral op handel gericht en in slechts geringe mate op productie. De Surinaamse overheid heeft het stimuleren van particuliere investeringen jarenlang ondergeschikt gemaakt. Het investeringsklimaat van Suriname staat dan ook slecht bekend in het buitenland.

Volgens de Wereldhandelsorganisatie (WTO) heeft Suriname nog een te weinig ondernemersstructuur om de handel en investeringen in het land te stimuleren.
In haar eerste rapport (2004) over het Surinaamse handelsbeleid, stelt de WTO dat in belangrijke sectoren als de telecommunicatie, het bankwezen en energie de mogelijkheden voor buitenlandse bedrijven beperkt blijven.