Hindoestanen in Suriname
Nog steeds zijn in Suriname sporen van het kastensysteem, zoals die voorkomen in India, te vinden. Zo weet het merendeel van de Hindoes in Suriname tot welke Varná (de vier hoofdkasten) hij of zij behoort.
Kaste -endogamie, het trouwen binnen de eigen kaste, is als algemeen systeem ver-vallen, maar wel is vooral bij de Brahmaan en de Ksatriya, de bovengroepen in het systeem, nog steeds een huwelijk met een kastegenoot, wanneer ook aan andere
voorwaarden, zoals opleiding, beroep en economische positie wordt voldaan, preferent.
De " in-group "
gevoelens zijn in deze beide groepen ook het sterkst. Bij de midden-groep, de Vaishya's, is dat in veel mindere mate het geval, al komt het voor dat ook deze groep zich zo nu en dan afzet tegen de laagste groepering, de Sudra's.
Huwelijk, huishoudgroep en familie
Het rituele Hindoestaanse huwelijk werd in 1940 als wettig erkend. Nog steeds is bij de Hindoestanen de bereidheid zich door de ambtenaar van de burgerlijke stand in de echt te laten verbinen, gering. Men trouwde volgens Hindoestaans gebruik en het huwelijk werd door een Hindoe-priester of Moslim voorganger gesloten.
Gouverneur Kielstra heeft met zijn Aziatische huwelijkswetgeving, zowel voor de Moslimsals voor de Hindoes, deze situatie geregulariseerd, mits de huwelijksvoltrek-king plaatsvindt volgens het gebruik binnen deze groepen en met de voorwaarde dat de aanwezige priester of voorganger door het gouvernement als huwelijksambtenaar is aangewezen.
Tegen deze wet is bij herhaling het principiële bezwaar ingebracht dat hierdoor de rechtseenheid werd aangetast en een uitzonderingspositie voor de voormalige immigranten ontstond. De nog niet geheel in werking getreden landsverordering
'Herziening Huwelijksrecht
1973' komt voor een belangrijk gedeelte aan deze bezwaren tegemoet. De nieuwe regeling geldt voor alle godsdienstige gemeenschap-pen. Naast de voltrekking van het huwelijk door de ambtenaar van de burgerlijke stand kan iedere godsdienstige gemeenschap, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan, huwelijksambtenaren aanstellen, ten overstaan van wie het rituele huwelijk kan worden voltrokken.
Een op deze wijze tot stand gekomen huwelijk is evenzeer een burgerlijk huwelijk als een burgerlijk-standhuwelijk. Tevens is de minimum huwelijksleeftijd verhoogd en is de verstoting, als wijze van huwelijksontbinding bij de Moslims, afgeschaft.
In de districten is het niet ongebruikelijk dat de ouders een huwelijkspartner voor hun dochter zoeken, wanneer zij vijftien is geworden.
De huwelijksleeftijd voor de jongens varieert van 17- 24 jaar. Het kan nu niet meer voorkomen dat de meisjes vóór de pubertijd worden uitgehuwelijkt en de
huwe-lijksleeftijd is aanmerkelijk verschoven. Dat geldt nog in sterkere mate voor de stad waar de gemiddelde huwelijksleeftijd voor de meisjes ongeveer negentien jaar is.
Het traditionele 'joint-family'-verband wordt nog maar in zeer beperkte mate in de Hindoestaanse gemeenschap aangetroffen. Het komt nog wel voor dat Hindoestaanse echtparen na hun huwelijk voor een bepaalde periode bij de ouders inwonen.
Zelden ontwikkelen deze samenwoningsverbanden zich tot 'joint-families' van grotere omvang. De Indiase traditie heeft zich in dit opzicht niet gehandhaafd.
Het gezins- en familieverband in de Hindoestaanse gemeenschap draagt een aantal specifieke kenmerken, waardoor het zich onderscheidt van andere bevolkings-groepen.
Wordt het Afro-Surinaamse volksgezin getypeerd door een matrifocale structuur, waarbij de moeder een centrale positie inneemt, voor de Hindoestaanse huishoud-groep geldt het tegenovergestelde. De dominerende positie van de man als hoofd van de huishoudgroep leidt tot een patrifocaal patroon. Maar ook door het specifieke verwantschapssysteem, de omvang en de aard van de familierelaties en de verhou-
dingen binnen het gezin draagt de situatie binnen de Hindoestaanse gemeenschap een eigen karakter.
De sociale veranderingen in en na de Tweede Wereldoorlog hebben ook ingewerkt op gezins- en familieleven van de Surinaamse Hindostanen.
De ontwikkeling beweegt zich in de reichting van een toenemende zelfstandigheid van de jongeren bij de keuze van de huwelijkspartner, samengaand met een verspreiding van het romantische liefdesideaal als basis voor een huwelijk.
Tegelijkertijd valt een toenemende gelijkwaardigheid van man en vrouw binnen het huwelijk te registreren, alsmede een vermindering van het autoritaire karakter van de rol van de vader-echtgenoot.
De politieke organisatie
De Moeslim Partij die in mei 1946 werd opgericht en waarin Hindoestanen een dominante positie innamen, was de eerste politieke partij in Suriname.
Hierop volgden een jaar later de Hindoestaanse Oranjegroep, waarvan de naam later werd gewijzigd in Hindoestaanse Oranje Politieke Partij, de Hindoe Partij Suriname en de Hindoestaans-Javaanse Politieke Partij (beide in 1947).
Aan deze versplintering kwam in 1949 een einde toen de Verenigde Hindoestaanse Partij (VHP) tot stand kwam.
Ook de ontwikkelingen bij de andere bevolkingsgroepen toonden aan dat politieke partijvorming op basis van etnische en religieuze affiliaties plaats vond.
Na de gewijzigde Staatsregeling en de invoering van een nieuw kiesreglement in 1948 vonden een jaar later verkiezingen plaats waarbij de VHP zes zetels in het College der Staten werden toegewezen. Door een coalitie met de Nationale Partij Suriname 9NPS) in 1958 wer de VHP regeringspartij en werden twee ministers van Hindoestaanse afkomst in het kabinet opgenomen. De periode 1958 - 1973 ken-merkte zich door een politiek samenwerkinsverband van de VHP met de belangrijkste Afro-Surinaamse groeperingen, hetgeen een gunstige uitwerking heeft gehad op de inter-etnische verhoudingen.
De verkiezingen van 1973 dwongen de VHP, die in 1966 en 1973 haar naam wijzigde in respectievelijk Vatan Hitkari Partij (Partij ter Bevordering van het Nationaal Welzijn) en Vooruitstrevende Hervormings Partij, in de rol van oppositie partij tegenover een grotendeels Afro-Surinaamse coalitie.
Het streven naar snelle onafhankelijkheid bij het merendeel van de Afro-Surinaamse partijen, dat bij de VHP op verzet stuitte, verscherpte de tegenstel-lingen. Met de onafhankelijkheid op 25 november 1975 is ook voor de Hindoe-stanen een nieuwe fase aangebroeken in de politieke geschiedenis van het land.
Toekomstige integratie
De ontwikkeling van de Hindoestaanse bevolkingsgroep kan worden gekenmerkt als een emancipatie van exotische groep tot burgers van Suriname. Vooral door de acceleratie van het moderniseringsproces in en na de Tweede Wereldoorlog is men zowel in economisch, in sociaal als in cultureel opzicht nauw betrokken geraakt bij de nationale ontwikkeling. Niettemin heeft de groep haar sociaal-culturele identiteit voor een deel weten te behouden, in sterkere mate dan in andere Caribische landen met een Hindoestaans bevolkingsdeel het geval is (Guyana, Guadeloupe, Jamaica, Martinique, Trinidad).
Door de onafhankelijkheid van Suriname is een nieuwe periode aangebroken in het integratieproces van het land.
|