Jodensavanne is een voormalige woonplaats van Sefardische Joden in Suriname, ongeveer 50 kilometer ten zuiden van Paramaribo, aan de rechteroever van de Surinamerivier.
De plaats ligt in het district Para bij de Cassiporakreek, een zijrivier van de Surinamerivier, en wordt sinds 1832 niet meer bewoond.
Rond 1640 vestigden zich aan de Cassiporakreek de eerste Joden.
Zij waren voor vervolging door de Inquisitie uit Spanje gevlucht en
begonnen met de aanleg van suikerrietplantages waarop zij
ook slaven hielden. Rond 1650 kwam een tweede groep Joden,
dit keer uit Engeland. Een derde groep, onder leiding
van David Nassy, kwam uit Mauritsstad (Brazilië) naar Suriname.
Ze waren aanvankelijk vanuit Spanje naar Nederlands Brazilië
gevlucht en hadden daar samen met de Nederlanders
plantages gesticht op uitnodiging van gouverneur Johan Maurits.
Toen het Nederlandse gebied in Brazilië in 1654 door de
Portugezen werd veroverd, ontvluchtte een groot deel van de
joden het gebied. Sommigen vestigden zich in Cayenne (het huidige Frans-Guyana) en Guadeloupe, en anderen in Suriname. Mogelijk woonden zij aanvankelijk nabij Torarica.
Toen de Fransen in 1664 Cayenne op de Nederlanders veroverden, vestigden ook vele joden uit dat gebied zich in Suriname.
Om meer planters aan te trekken kreeg de Joodse gemeenschap in Suriname op 17 augustus 1665 vrijheid van godsdienst, mogelijk ook het recht een synagoge en een school te stichten. Toen Abraham Crijnssen in 1667 Suriname veroverde op de Engelsen, liet hij de rechten van de joden ongemoeid. Na de Vrede van Breda in 1667 waarbij Suriname definitief Nederlands gebied werd, kregen de Joden in Suriname in 1669 officieel toestemming voor het stichten van een eigen gemeenschap met een synagoge en een begraafplaats.
De nieuwe landbouwkolonie, enkele kilometers van Cassipora,
kreeg later de naam Jodensavanne. In 1685 werd hier een stenen synagoge gebouwd die de naam Berachah VeShalom ('Zegen en vrede') kreeg. In 1691
verleende Jan van Scharphuysen aan de Jodensavanne de
wettelijke status van nederzetting, [1]
maar draaide de
beslissing van zijn voorganger
Cornelis van Aerssen die hun
toestemming had verleend op
zaterdag hun slaven vrijaf
te geven en daarvoor op zondag te
laten werken, terug. In 1694
telde de gemeenschap te
Jodensavanne ongeveer 570 zielen die meer dan 40 plantages
hadden en ongeveer 9.000 slaven die op deze plantages werkten.
In de achttiende eeuw bereikte de bloei van de gemeenschap rond
Jodensavanne een hoogtepunt. Velen waren aangesloten bij een
loge van de Vrijmetselarij.[2]
In 1832 werd Jodensavanne vrijwel geheel door brand verwoest.
Het was toen al grotendeels verlaten; de inwoners waren naar Paramaribo getrokken.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd bij Jodensavanne een barakkenkamp gebouwd, Kamp Jodensavanne, dat in september 1942 in gebruik werd genomen.
Hier werden 146 al dan niet vermeende aanhangers van de NSB en de NSDAP geïnterneerd die afkomstig waren uit Nederlands-Indië.
Dit voormalige Joodse dorp, waar de resten van de oudste synagoge van Noord- en Zuid Amerika, alsmede een kerkhof met vele graven staan, was tot voor kort een begroeide ruïne.
Nadat in 1967 de TRIS het gebied had ontdaan van begroeiing, ontwikkelde architect Tjin A Djie in 1971 een plan voor het beheer van Jodensavanne.
Op 11 oktober van dat jaar werd de Stichting Jodensavanne (SJS) opgericht.
Twee jaar later (1973) zijn de restanten van de synagoge en de graven schoongemaakt en is er een eenvoudig huisje als museum ingericht. De resten van de synagoge werden beschermd, en er werd een bezoekerscentrum gebouwd, waar de bezoekers worden geïnformeerd over deze unieke historische begraafplaats in het oerwoud van Suriname.
Tijdens de Binnenlandse Oorlog kon het gebied echter niet worden beheerd omdat het in betwist gebied lag. De restanten verdwenen weer onder het oerwoud.
In 1999 werd het gebied opnieuw schoongekapt.

