Chinezen vormen een van de kleinere etnische groeperingen. In 1971 rekenden 6400 personen, d.i. 1,7% van de bevolking, zich tot de Chinese groepering.
In 1862 aanvaardde het Nederlandse Parlement een wetsontwerp waarin de slavernij in de Nederlandse koloniën werd afgeschaft.
De Emancipatiewet in Suriname trad in 1863 in werking. Hierdoor werden de 36.000 slaven vrije burgers. In die tijd waren er nog 200 plantages in bedrijf, merendeel suiker en cacao ondernemingen.
Om de productie op de plantages te waarborgen werden contractarbeiders uit Azië aangetrokken.
Echter al jaren voor de afschaffing van de slavernij werd gezocht naar arbeidskrachten van buiten Suriname.
Tussen 1853 en 1870 zijn er 2500 Chinese contractarbeiders naar Suriname gegaan.
In 1853 arriveerde een eerste kleine groep Chinezen van Java in Suriname. Zij werden tewerkgesteld op de gouvernementssuikerplantage Catharina Sophia.
De immigranten uit Zuid-China behoorden in hoofdzaak tot twee volken, t.w. de in Kwantoeng levende Hakka Chinezen (die oorspronkelijk uit Noord-China kwamen; zij zijn thans de belangrijkste groep onder de Surinaamse Chinezen) en de Hoklo-Chinezen uit Foetjien. Ze hadden elk hun eigen gewoonten, zeden en taal en kenden onderling een sterke animositeit.
Later wierf de particuliere Immigratie-Maatschappij ongeveer 2000 Chinezen in de Britse kolonie Hongkong.
In 1870 verbood de Britse regering het particulier werven in Hongkong.
Na afloop van hun vijfjarig contract verlengden de meesten dit niet en gingen, indien zij al bleven, in elk geval vrijwel nooit in de landbouw. Hun teruggaan had mede zijn oorzaak in de bijna-onmogelijkheid Chinese vrouwen aan te trekken.
Voor het aangaan van een arbeidscontract voor het buitenland had een Chinees de toestemming nodig van zijn clanraad; getrouwde vrouwen kregen deze nooit.
De meningen in Suriname over de Chinezen waren sterk verdeeld. Er waren mensen die de aanwezigheid van de chinezen niet erg op prijs stelden. Een van de argumenten was dat ze bij vrije arbeid ‘onder de markt’ werkten waardoor de Afro-Surinamers uit de markt werden gewerkt.
Ook werd het rassenelement en hun ‘zedeloosheid’ als argumenten genoemd.
Er was echter ook een andere groep die meenden dat het 'onder de markt werken' juist een groot voordeel was, de enige manier om de kolonie er weer bovenop te krijgen.
Chinezen spelen thans economisch een belangrijke rol in de handel én in de zgn. vrije en administratieve beroepen.
Chinezen die direct uit China komen blijven meestal sterk op China en op de Chinese cultuur gericht.
De in Suriname geboren Chinezen hebben zich veel meer gevoegd in het geheel van de Surinaamse maatschappij.
In Suriname hebben de Chinezen zich veelal via huwelijken of concubinaatsverhoudingen verbonden met vrouwen uit andere etnische groeperingen; in Paramaribo meestal met Afro-Surinaamsen, in de districten vaak met Javaansen.
De kinderen uit de concubinaatsverhoudingen werden en worden daarbij in de regel erkend.
Derde-generatie-Chinezen komen in feite in Suriname weinig voor.
Hoewel vele kinderen uit deze verbintenissen zich niet tot de Chinese groepering rekenden resp. werden beschouwd, is door de immigratie het aantal Chinezen gestaag toegenomen: in 1905 bedroeg het aantal Chinezen in Suriname 1160 en in 1971: 6400.
