TANAH
SABRANG: HET LAND AAN DE OVERZIJDE
Eind 19e eeuw
bestond er in de plantagelandbouw een groot tekort aan arbeidskrachten.
De creolen wilden na de afschaffing van de slavernij niet meer op
de plantages werken en waren massaal naar de stad getrokken.
De Hindostanen, die met hulp van de Engelse regering in India geronseld
werden, namen hun plaats in, maar door allerlei oorzaken stagneerde
de aanvoer in de jaren tachtig en kwam tenslotte helemaal stil te
liggen.
Besloten werd om Javanen uit Indonesië, toen nog Nederlandsch
Oost-Indië, te halen en zo werden van 1890 tot 1939 ruim 32.000
Javanen naar Suriname overgebracht en op de plantages te werk gesteld.
Die plantages waren geconcentreerd in de districten Commewijne,
Saramacca en Nickerie en dat is ook de reden dat men daar tot op
de dag van vandaag nog grote concentraties van Javanen vindt.
De contracttijd is voor de Javanen traumatisch geweest.
Het begon al slecht: velen waren tegen hun wil of in ieder geval
buiten hun wil geronseld. Wisten zij veel wat dat
inhield - tanah sabrang, het land aan de overzijde,
zoals de ronselaars Suriname noemden? Bij aankomst kwamen
ze er snel achter: lage lonen, slechte behandeling, een geïsoleerd
bestaan, een leven beheerst door werken,
dobbelen en drinken.
Heimwee naar
Java beheerste hun leven, heimwee dat maakte dat zij hun verblijf
in Suriname slechts als tijdelijk konden zien. Politici, die hen
een boot in het vooruitzicht stelden waarmee zij gratis naar Java
terug zouden worden gebracht, konden dan ook op een ruime aanhang
rekenen.
Na de Tweede Wereldoorlog was dat heimwee niet zo vanzelfsprekend
meer. Steeds meer Javanen gingen inzien dat die terugkeer een fictie
was en dat men maar beter kon proberen een bestaan in Suriname op
te bouwen.
Bovendien bood Suriname steeds meer mogelijkheden voor vooruitgang.
Daarvoor was het wel nodig om de
plantages te verlaten en naar de stad te trekken.
De Javaan is daardoor veranderd, in zijn taal, in zijn cultuur,
in zijn manier van doen. De Javaan van nu is een ander mens dan
toen hij honderd jaar geleden voor het eerst voet aan wal zette
op de rede van Paramaribo.
Maar tegelijkertijd is veel hetzelfde gebleven en heeft hij zijn
identiteit als Javaan weten te behouden, zowel
uiterlijk in eetgewoontes, de verschillende ceremoniën en rituelen
rond geboorte, huwelijk en sterven, als innerlijk in normen en waarden,
religie en levensbeschouwing.
OOST-
EN WESTBIDDERS
Javanen zijn
bijna per definitie moslim. Moslim te zijn was zo vanzelfsprekend
dat wie overging tot het christendom niet meer als Javaan werd beschouwd.
De pogingen om hen te bekeren hebben weinig succes gehad.
Dat toch een kleine minderheid het christendom aanhangt is vooral
te danken aan de christelijke scholen en
internaten waar Javaanse jongeren terecht kwamen.
Ook al zijn bijna alle Javanen moslim, de wijze waarop de godsdienst
wordt beleden verschilt nogal.
Er zijn mensen die zich zo zuiver en strikt mogelijk aan de voorschriften
van de islam houden, anderen belijden
in naam van de islam, maar hebben in feite opvattingen en gebruiken
die van hindoeïstische
oorsprong zijn en uit de tijd dateren
dat Java nog niet tot de islam was overgegaan.
In
de Javaanse islamitische gemeenschap
zijn rond deze uitersten twee stromingen
ontstaan, waarvan de één zo zuiver mogelijk de islam
belijdt terwijl de ander
islamitische en hindoeïstische elementen probeert te combineren.
Mensen die tot de eerste stroming behoren worden
in Suriname
oostbidders genoemd (in het Javaans 'wong madep ngétan'),
de anderen ,
westbidders ('wong madep ngulon'). Dit houdt verband met de gebedsrichting.
Een moslim moet zich bij het gebed met het gezicht naar Mekka richten,
In Indonesië is dat naar het westen, in Suriname naar het oosten.
De contractanten hadden dus na aankomst in Suriname hun gebedsrichting
moeten veranderen maar dat gebeurde niet. In de jaren dertig kwamen
er steeds meer mensen die dit onjuist vonden en zo ontstonden er
allengs twee groepen die lijnrecht tegenover elkaar kwamen te staan:
de westbidders en de oostbidders.
Min of meer
als reactie hierop heeft zich een derde groep afgetekend; een bundeling
van niet-moslim groepen die de zogenaamde Javaanse godsdienst aanhangen.
Deze 'Agama Jawa'proberen te leven volgens de Javaanse 'adat'.
Als godsdienstige taal gebruikt men niet het Arabisch maar het Javaans.
Door hun streven naar behoud van de Javaanse taal en cultuur vormt
deze groep een niet onbelangrijk tegenwicht tegen alle krachten,
zowel van de kant
van de orthodoxe islam als van de kant van de westerse cultuur,
die het voortbestaan ervan bedreigen .